XXXV
Tido? tidak.
Timba = timbal: t. balik, van weerszijden.
Timboer = timboel; katimboer, van een eisch, aangenomen worden.
Tinggang, op iets zinnen; helpen, steunen.
Tiò' = tiap.
Tiola (in Agam tinóla, te Padang tinjala) laat maar! geduld!
Tjakan, uitroep van blijdschap = alang.
Tjakó = tako.
Tjamèh = tjemas.
Tjèga, beter worden.
Tjiè, een. Ook satjiè.
Tjintó; tatjintó, verliefd zijn (de tekst heeft geen n, de transscriptie wel).
Tó is het suffix: manótó, mató = manatah, mangapatah. Zie ook tah.
Tobat, te erg maken.
Toe = itoe baäpó toe, hoe is het nu? Zeer dikwijls aan het begin van zinnen, wat dat betreft, itoepoen.
Toe' = datoe'.
Toedjoe; katoedjoe, verlangd worden.
Toekar; batoekar, ook verschillen in ge- voelen. Toeloe', alle ?
Toenggoe; manoenggoe, ook manen. Toeroe = toeroet.
Toetoeb; rimbó batoetoeb, een gesloten