Ramoe :; maramoe en ramoean = marambah en rambahan.
Rang = orang.
Rangé: marangé, er uit komen, van iets dat niet voldoende afgesloten is , als water, rook enz.
Rangkei; sarangkei, te zamen.
Ranja; maranja, huilen van kinderen.
Rantah; marantah, rukken, bl. 57.
Rasei = rasa.
Rasô; ba’rasô, gelijk, tis als of.
Real; is uitgelaten bl. 55. 6.
Rimih = rimis, duit.
Rintang, bezig zijn, niets anders doen dan..., r. komari, overal rondloopen.
Rodi, order van het Bestuur, waarbij heeren- diensten worden opgelegd.
Roending, woord; gesprek, afspreken, zamen bespreken; saboewah r. het eens zijn.
Roesoe’ ook zijde van een kleed.
Roewéh= roewas ; parocwehan, ledematen.
Ronjoe!: maronjoe!, langzaam stuk trek- ken, tegenovergesteld aan sintak.
Ss.
Sabat = sabab. Saka ') suiker.