↓Laman ko alah sah
XXIX
Oekoer ; saoekoer = samoepakat.
Oeloerkan , terugbezorgen.
Oentjang = toentjang, vijzel om de sirih te stampen, voor oude lui.
Oentoei? = toentoet.
Oepik, meisje! si-oepik, zij, het meisje.
Oeré’ = oerat, wortel.
Oesah = djangan.
Oesoe = oesoel; oesoe priksa, oesoeli, van het begin tot het einde naauwkeurig onderzoeken.
Oesoer, beletsel.
P.
Pa’ voor bapa’
Pa = apó; pabila.
Padahkó, ik dacht(toch niet yoor kapadakoe?)
Padoesi, vrouw, echtgenoot.
Pai = pérgi.
Pakó (=pékak?) toestoppen van eene wa- terleiding.
Palang? kapalang , te ver heen zijn.
Palantja? roesoe’ p., onder- en boven- dwarsbalken.
Paloe' = paloet.
Pandei: dipandeió.