XXVII
M.
Ma ¹) een nadrukswoordje, ongeveer = poen, en wel na substantiva, adjectiva, pronomina, vooral na ko, enz.
²) = maka.
³) = mana.
⁴) = mangapa.
⁵) = mama.
NB. De uitspraak van den klinker zal wel niet in alle vijf gevallen dezelfde zijn.
Mahir, vlug verkoopbaar; 200 ook bijv. toelisan m., schrijven dat iemand gemakkelijk afgaat.
Maï = mari: maï la.
Mala, maar, sadja. Ook ma la.
Malang; orang m. een doorbrenger.
Malin = malim, priester.
Manó, wordt ook gebruikt wanneer men tot een der tegenwoordig zijnden het woord richt.
Manga = mangapa.
Mani; si-mani, de karamoentingboom.
Mantaró, terwijl.
Masah, ook gezegd van een afspraak, die afgesproken is, bl. 38.
Mau of mòh? zie amoh, willen.
Mèhkin = maski.
Miang, jongen! even als mingkau, meisje! zie ang en kau.