XXVI
Lakoe; dilakoeó, door hem, door zijn schuld.
Lamboeⁱ, zacht, mul van den grond.
Lamó; dja salamó, vroeger.
Langkah; malangkah, op reis gaan.
Lansoeng = langsoeng, zich heen begeven.
Lapèh = lěpas; malapèhkan, lucht geven aan ’thart; uithuwelijken.
Lapoeⁱ, verrot van hout.
Laroeⁱ, ver heen zijn, bijv. van eene ziekte, van suiker, die bijna in het water opgelost is, inzonderheid van den tijd, over den tijd zijn.
Latak; talatak, staan blijven, lang staan, van dranken. :
Latè = lětih, bewusteloos van hevige ziekte.
Lawak? visch.
Lazin = lazim, gewoon.
Lindang; balindang, opmaken van zijn goed.
Lingkoeⁱ, weg zijn;lingkoetkan, wegnemen.
Loear; kaloear, opkomen, van een heeren- dienstplichtige.
Loepó; saloepó, een stuk sawahland, een sawah.
Loeroeh = loeroes.
Lòkèh = lěkas; salòkèh, spoedig.
Lòlò’ = lělap, vast slapen.
Lompong, bang.