XXIV
Kareh = kéras.
Katjo’ (beter katjau?), bijvoegen, bijv. bij spijs of drank.
- Katoet (katoe!) = katoep.
- Kau 1) gij, tot eene vrouw.
2) het instaat zijn iets te doen; de wijs waarop men iets moet doen. Kauéo. Bakau. Dikauo. Takau, ook durven, kunnen doen.
- Kida = kidal, linksch.
Kién, kakién, daarheen; bl. 21 (kian), 32, 40, 44. Kioen; kakioen, gindsheen, bl. 11, 57. Kimat = himat. Nan sakimatan, tot het bedrag van.
- Kini, nu, thans. Ook kini hari.
Ko = iko, deze. In padahko, ik (voor padah saja iko?) Ko’ = djéka, ook in den zin van wat be- treft en misschien (kalau2), Koedoeng = potong. Potong is vbitjara haloes” zegt S.
- Koekoeh, rijp van rijst, menschen.
Koepang = soekoe, t. w. 6 dubbeltjes (wang) van 6 duiten.
Koko’ = kékap (maar ook kaké en kakap), volledig bij elkaar gepakt, bijv. kabihnja k. alles is ingepakt; ook awaknja k. van iemand die goed spreekt, alah k. kadjinja, van een priester wiens kennis van de wetten volledig is,