Lompat ke isi

Halaman:Mĕnangkabausch-Maleische zamenspraken; Si-Daud Radja Medan, 1872.pdf/75

Dari Wikibasurek
↓Laman ko alah sah

XXII

Hamoen, beleedigen. Handei", gesprek. Hano? zich stil houden. Haro’ = hadap. Hila; bahila, trekken, aanhalen. Himbau , roepen. Hoeni, op iets passen; tahoenikan.

I

Ijo, ijola, ja. Ijo kaijo, van ja tot ja, d. i. altijd ja; nan kan ijo, wat zeker zoo zijn zal. Baijo baboekan, het ja of neen bespreken.

Ikat; ikatan wordt de tahir-améth genoemd , omdat de tando daarmeé gebonden, stevig, vast wordt.

Iko, deze, dit; hier; thans. Ba’iko. Inja’: inja’ma = nja’ma. Injo, = ija, hij, kainjo, ginds heen; hier heen (of is het kainja’ en zijn inja en inja’ wel twee verschillende woorden? Zie ook mindjé.)

Indah = tidak. Intah zie tah. Itan = tan. Itoe, die, dat; ba’itoe.