Lompat ke isi

Halaman:Mĕnangkabausch-Maleische zamenspraken; Si-Daud Radja Medan, 1872.pdf/77

Dari Wikibasurek
↓Laman ko alah sah

XX

Djo 1) = adjo w. m. z.
2) voor djén (bl. 46.9, z00 de lezing goed is.)
Djoewa = djoewal.
Dooeo 1) (=doeo bl. 17.1) pagé do=ésoek hari.
2) = di o, er over? bl. 30.1 v. 0.
Doeo; bad. batigs, met zijn meer dan
één zijn.

Padoeé en padoed’an in tweeén deelen;
zijn sawahs in tweeén deelen, d. i. voor de helft
der opbrengst aan anderen ter bewerking geven.

Deke, = dékat.
Dokd (= het voorgaande woord?) naderen;
straks,
Dore = déras.
Dosanak, familielid.

E

.

Eh, interjectie.
Eko = ékor.
Elo’ , ook goed.
Esoe’, ook later; barésoe’ tadi, yan morgen.
Eté = hasta.

G.

Ga = aga, ongeveer als kiranja.
Gadih= gadis