Lompat ke isi

Halaman:Mĕnangkabausch-Maleische zamenspraken; Si-Daud Radja Medan, 1872.pdf/79

Dari Wikibasurek
↓Laman ko alah sah

XVIII

Baroeh = bawah.
Batong = bétoeng, soort van bamboes.
Batth = batas, grens.
‘Batoe = bétoel; babatoelan, van een eisch,

erkend worden.

Binantoe = ménantoe.
Boee’ = boewah; baboee’, ook sawahwerk

doen.

Boejoeng ; si-boejoeng, de jongen.
Boelan; baboelan, bedorven zijn.
Boeroe’; 6. ta’ batjarei djen baik, het

kwade is niet van het goede gescheiden, d.i. nu zijn wij wel zamen, maar morgen kunnen wij twist krijgen.

Bolah = bérilah.
Boreh = beras.

D.

Da }) tida’; *) indah.
Dalam; ook lang van een baadje of een broek.
Dangkat, rechtsklacht?
Dape, = dapat; ta’ dapé’ dikami, dat

raakt ons niet. Badapé’. Pandapé’: sap. roending, het eens zijn.

Datoe’, ook naam waarmee iemand den eigen

broeder der oudere zuster aanspreekt.