↓Laman ko alah sah
XVII
B.
- Ba’ 1) gelijk, even als; ba’apo, ba’itoe;
ba’iko en bakéo (?) ook straks (van den toeko- menden tijd); ba’akan, hoe.
- 2)? in ba ateh tan, ba dibaroeh tan, ba kini.
- Baban ; bababan, vracht dragen.
- Badar , gedroogde visch (eig. badar-visch,
die misschien gewoonlijk gedroogd gegeten wordt.)
- Bago, al is 'tmaar, maski (van ago?)
- Bainah, verklaring der getuigen.
- Bair = bajar.
- Bako, zie ba’.
- Balau , hij, zij, als men met eerbied spreekt, = baliau.
- Balei ook markt? bl. 32.
- Balik; babalik, telkens terugkeeren; ver-
ward zijn.
- Baliau 1) hij, ij.
- 2) gij, van eene schoonmoeder tot haar schoon-zoon.
- Baloen = béloem.
- Banah = bénak.
- Banar, ook zeer, erg, en ook ongey. =
kiranja.
- Banda(r), waterleiding.
- Bara = bérapa.
- Baroe ; baroekan, inwrijven (beter baroe =
baroet ?)