XIV
die voor het Agamsche dialekt opgeeft, is er de gewone; maar hoe vind ik nu daarnaast bòrèh, dòkè', lolo', loke' kònó, kòkò' en zelfs sapòken voor beras, dekat, lelap, lekat, kena, kěkap, sapekan? of op tiola in de woordenlijst de opgaaf van eene andere uitspraak in Agam? Ik vermoed dat dit punt van de onderdialecten nader onderzoek vereischt.
Omtrent de keus tusschen Maleisch en Hollandsch schrift heb ik alleen te zeggen dat die van mij is, daar ik alle zamenspraken, op een vijftal na, in beiderlei schrift geschreven ontvangen heb.
In de woordenlijst heb ik, zoo als ik reeds zeide, orde in de spelling trachten te brengen, maar ik ben daarin nog ver ten achteren moeten blijven bij hetgeen men er van zou verlangen. Overigens heb ik mij in die lijst tot het opgeven van onbekende woorden en van vreemde woordvormen en beteekenissen bepaald. Dat ik de Maleische woorden met Hollandsche letters geschreven en naar ons alphabet gerangschikt heb, spreekt van zelf. Misschen zou men de dj en tj (die ik hier, toegevende aan de gewoonte, nog zoo, in plaats van dsj, tsj, ben blijven schrijven) in 't vervolg afzonderlijk kunnen houden, doch de woorden, die met deze letters beginnen, komen nu toch bij elkaar te staan, zoodat de noodzakelijkheid van die concessie voor mij nog niet uitgemaakt is.
Leiden, Jan. 1872. J. PIJNAPPEL.