XIII
wa', tau, kó, toe, tan, pi', rang, toe', naast awa', atau, ikó, itoe, itan, oepi', orang, datoe', en ook a, ba'a, bara, sia, voor apó, ba'apó, barapó, siapó; ma zelfs voor manó, manga (mangapó), maka en mama (ofschoon misschien met verandering van uitspraak), eigenaardigheden die zeker ook wel in het gewone Maleisch in grooter mate zouden optemerken zijn, wanneer men daarin dergelijke zamenspraken bezat als deze.
Er is nog iets waarop ik geen bevredigend antwoord weet te geven. Uit het genoemde werk van den heer v. d. T., waarbij ik ook nog voeg zijne Taalkundige aanteekeningen enz. tot zijn Bataksch leesboek, zie ik dat men drie onderdialecten van het Měnangkabausch kan aannemen, een noordelijk, waartoe het Raòsche te brengen is, het Agamsche en het Mokomokosche. De uitspraak van de è schijnt een middel te zijn om ze te onderscheiden, daar die in het Noorden, even als in het Bataksch, als ò, in het Agamsche als a en in het Mokomokosche even als in het gewone Maleisch als e wordt uitgesproken. Natuurlijk onderscheiden die onderdialecten zich ook nog op andere wijzen, zoo als bijv. in het Raòsche door het uitspreken van den uitgang an als en; doch andere bijzonderheden zijn mij onbekend. Nu weten wij verder dat deze zamenspraken in Tanah-datar, dat is het hart van Měnangkabau, zijn opgesteld en dus ook vast wel in hetgeen wij als hoofddialect zullen mogen beschouwen; de uitspraak a voor è, zoo als v. d. T.