Lompat ke isi

Halaman:Mĕnangkabausch-Maleische zamenspraken; Si-Daud Radja Medan, 1872.pdf/87

Dari Wikibasurek
↓Laman ko alah sah

X

ò, waarvan de klank reeds van zelf op eene afbreking van den toon door een niet uitgesproken medeklinker wijst, nog niet vóór mij zelf kunnen uitmaken.

Maar niet slechts de eind-medeklinkers, ook de klinkers vóór die medeklinkers ondergaan dikwijls eene wijziging. Dit is het geval met a voor p, t en s, en met de oe voor p en t. De a wordt namelijk voor de p tot ò, voor de t en s tot è; bijv. mahado', boeè', amè', voor mahadap, boeat, amat; amèh voor amas. De oe krijgt eene i achter zich, zoodat oep en oet door v. d. T. door wi' (om geen aanleiding te geven dat men oei geschreven vindende dat voor twee lettergrepen houde; doch de w is zeer vokalisch, zegt hij), en oet in onzen tekst (want oep vind ik hier of zoo gelaten of in oet veranderd, hetgeen dan toch weer oei worden zal?) door oei wordt uitgedrukt, bijv. laroei, ronjoei, toeroei, enz.

Wat overigens van die eindklanken gezegd is, geldt evenzeer wanneer zij, gelijk met ar en as meermalen het geval is, op het eind van eene lettergreep midden in een woord staan. De r wordt dan in de uitspraak geheel weggelaten en zoowel de praefixen bar en tar, als de woorden kardjó, artó, tjardik, tarbang en andere, ba, ta, kadjó, ató, tjadik, tabang enz. uitgesproken. Zoo wordt ook hasta, ètó, dastar, dètó enz. – Wanneer er een suffix bij woorden komt die op zulke consonanten uitgaan, dan schijnt de conso-