IV
heel bijzondere spelling gevoegd bij de vreemde woorden maakte dat ik ze niet eens behoorlijk kon lezen. Wat ik er nu van versta, dat heb ik aan den heer S. te danken, die bij al zijne ambtsbezigheden, waarvan zijne brieven het drukkende menigmaal lieten vermoeden, toch den tijd wist te vinden om mij door woordverklaringen en vertalingen en andere verduidelijkingen zooveel mogelijk tot het verstand dier stukken te helpen. Ik herhaal hier dus nog eens wat ik zeide, dat de heer Stibbe zich daardoor voor de Oostindische taalkennis zeer verdienstelijk gemaakt heeft; zoo zij billijk wille zijn, zullen alle aanstaande beoefenaars van het Měnangkabausch Maleisch dat moeten erkennen.
Met dat al is het er echter ver van af, dat ik na die inlichtingen te hebben ontvangen op de hoogte zou zijn om die zamenspraken zoo uittegeven en te verklaren als ik zou verlangd hebben. Het handschrift, zoowel dat van den inlandschen schrijver als dat van den heer S., kon ik niet altijd duidelijk lezen. Ik deed wat ik kon, maar de zwarigheden hadden zich, toen het tot afdrukken kwam, in zulk eene mate opgehoopt, dat ik besloot de proeven naar Indië te sturen, ten einde daar te doen verbeteren, wat hier met geen mogelijkheid te verbeteren was. Maar de proef, die ik daartoe met het eerste halve vel nam, voldeed niet aan mijne verwachting. De heer S. kon natuurlijk niet aan bezwaren te gemoet komen, die