III
dit slechts een tongval is van het gewone Maleisch, daarmee is men nog niet veel gebaat; ten opzichte der verstaanbaarheid is die tongval volkomen gelijk aan eene geheel vreemde taal, wier aanspraken op meer beoefening dan ook geheel overeenkomen met die van het Javaansch en het Soendaneesch.
De overtuiging van de wenschelijkheid om dat dialekt te leeren kennen had mij reeds lang naar de mogelijkheid doen uitzien om tot die kennis te geraken. De bijzonderheden, die ik er in de werken over de Bataksche taal van den heer Neubronner van der Tuuk over vond meegedeeld, zijn, van hoeveel waarde ook, te onzamenhangend en te onvolledig om er een verdere studie op te kunnen bouwen.
Het toeval was mij eindelijk dienstig door mij met mijn ouden leerling en vriend, den genoemden heer Stibbe, destijds te Fort van der Capellen, in aanraking te brengen. Bij hem begreep ik niet te vergeefs te zullen hulp zoeken ter bereiking van mijn doel. En in der daad bevatte het antwoord op den brief, waarin ik hem voorstelde zamenspraken te laten opstellen in het Měnangkabausch Maleisch, reeds de mededeeling dat een inlandsch schrijver onmiddellijk daarmee aan den gang was gegaan.
Daarbij evenwel bepaalde zich de hulp van den heer S. niet. Ik wil gaarne bekennen dat ik van de eerste proeven van het werk van dien inlandschen schoolmeester zoo goed als niets verstond en er zonder meer weinig aan zou gehad hebben. De ge-